Hiervoor hebben alle gesprekspartners een telefoontoestel nodig en moet tussen die toestellen een verbinding zijn. Die verbinding kan een directe draadverbinding zijn, bijvoorbeeld voor een eenvoudige huistelefoon, maar inmiddels zijn de meeste telefoontoestellen aangesloten op het wereldwijde netwerk van telefooncentrales en zijn veel verbindingen draadloos. De telefonie in de 19e eeuw werd ontwikkeld in minder dan veertig jaar van een plan tot een compleet functionerende, veelgebruikte telefooncentrale tussen 1854 en 1892. Met elektrische telegrafie konden berichten over lange afstand worden verstuurd, maar er was tijdverlies tussen de telegrafische boodschap en het antwoord daarop. Bovendien waren er opgeleide telegrafisten nodig. Het lag dus voor de hand dat men naar mogelijkheden zocht om de boodschap mondeling over te brengen. Het eerste uitgewerkte voorstel voor telefonie kwam van de Franse telegrafiebeambte Charles Bourseul. In het tijdschrift L’Illustration van 26 augustus1854 beschreef hij hoe spraak over een telegrafielijn geleid zou kunnen worden. Hoewel hij ook probeerde om zijn theorie in de praktijk te brengen, lukte het hem niet om een duidelijk verstaanbaar gesprek ten gehore te brengen. De Duitse natuurkundeleraar Philipp Reis kwam in 1860 met het eerste concept van telefonie. Zijn telefoontoestel – de naam Telephon is van hem afkomstig – bestond uit een opnemer en een weergever die via twee draden met elkaar verbonden waren. De door Reis gemaakte toestellen waren echter niet geschikt voor praktisch gebruik. Hierdoor raakte zijn uitvinding in de vergetelheid. Op 14 februari1876 werd in de Verenigde Staten door Alexander Graham Bell een patent aangevraagd op de uitvinding voor improvement of telegraphy (“verbetering van de telegrafie”). Enkele jaren daarvoor was het de Italiaanse immigrant Antonio Meucci al gelukt om een telefoonverbinding tot stand te brengen. In 1871 wilde hij zijn ‘teletrophone’ patenteren, maar omdat hij het benodigde geld niet had, bleef het bij een patentaanvraag, die al na drie jaar afliep en wegens verder geldgebrek ook niet werd verlengd. Hierdoor was het Bell die op 7 maart het eerste patent op de telefoon verkreeg. Ondanks het patent wilde het apparaat van Bell maar niet functioneren, totdat hij drie dagen later, op 10 maart 1876, per ongeluk een flesje met zuur omstootte. In een reflex riep hij zijn assistent te hulp: “Mr. Watson, come here. I want to see you.” Thomas Watson, die in een andere kamer van het huis verbleef en daardoor buiten gehoorafstand was, kwam direct. Door het apparaat had hij duidelijk de stem van Bell gehoord.
Telefonie of telefoon (Grieks: τήλε (tèle), “ver”, en φωνή (phónè), “geluid”) is een telecommunicatiesysteem voor gesprekken tussen personen die zich buiten gehoorbereik van elkaar bevinden.
Hiervoor hebben alle gesprekspartners een telefoontoestel nodig en moet tussen die toestellen een verbinding zijn. Die verbinding kan een directe draadverbinding zijn, bijvoorbeeld voor een eenvoudige huistelefoon, maar inmiddels zijn de meeste telefoontoestellen aangesloten op het wereldwijde netwerk van telefooncentrales en zijn veel verbindingen draadloos. De telefonie in de 19e eeuw werd ontwikkeld in minder dan veertig jaar van een plan tot een compleet functionerende, veelgebruikte telefooncentrale tussen 1854 en 1892. Met elektrische telegrafie konden berichten over lange afstand worden verstuurd, maar er was tijdverlies tussen de telegrafische boodschap en het antwoord daarop. Bovendien waren er opgeleide telegrafisten nodig. Het lag dus voor de hand dat men naar mogelijkheden zocht om de boodschap mondeling over te brengen. Het eerste uitgewerkte voorstel voor telefonie kwam van de Franse telegrafiebeambte Charles Bourseul. In het tijdschrift L’Illustration van 26 augustus 1854 beschreef hij hoe spraak over een telegrafielijn geleid zou kunnen worden. Hoewel hij ook probeerde om zijn theorie in de praktijk te brengen, lukte het hem niet om een duidelijk verstaanbaar gesprek ten gehore te brengen. De Duitse natuurkundeleraar Philipp Reis kwam in 1860 met het eerste concept van telefonie. Zijn telefoontoestel – de naam Telephon is van hem afkomstig – bestond uit een opnemer en een weergever die via twee draden met elkaar verbonden waren. De door Reis gemaakte toestellen waren echter niet geschikt voor praktisch gebruik. Hierdoor raakte zijn uitvinding in de vergetelheid. Op 14 februari 1876 werd in de Verenigde Staten door Alexander Graham Bell een patent aangevraagd op de uitvinding voor improvement of telegraphy (“verbetering van de telegrafie”). Enkele jaren daarvoor was het de Italiaanse immigrant Antonio Meucci al gelukt om een telefoonverbinding tot stand te brengen. In 1871 wilde hij zijn ‘teletrophone’ patenteren, maar omdat hij het benodigde geld niet had, bleef het bij een patentaanvraag, die al na drie jaar afliep en wegens verder geldgebrek ook niet werd verlengd. Hierdoor was het Bell die op 7 maart het eerste patent op de telefoon verkreeg. Ondanks het patent wilde het apparaat van Bell maar niet functioneren, totdat hij drie dagen later, op 10 maart 1876, per ongeluk een flesje met zuur omstootte. In een reflex riep hij zijn assistent te hulp: “Mr. Watson, come here. I want to see you.” Thomas Watson, die in een andere kamer van het huis verbleef en daardoor buiten gehoorafstand was, kwam direct. Door het apparaat had hij duidelijk de stem van Bell gehoord.
Links:
150 jaar telefonie: bellen blijft maar de manier waarop verandert
Gegevens