Noord-Atlantische warme golfstroom: De Golfstroom of Noord-Atlantische Drift is een snelle, krachtige warme stroming in de oceaan. De Golfstroom vindt zijn oorsprong in de Golf van Mexico, waarvan de naam van de stroom afgeleid is. Hier wordt hij onder andere gevoed door de Antillenstroom.
In de Golfstroom kunnen stroomsnelheden van 3 meter per seconde voorkomen, waardoor de scheepvaart en dan vooral de zeilvaart er enige hinder van kan ondervinden. De Golfstroom vervoert per seconde tot 1,5×108 kubieke meter water, dat is meer dan 100 keer zo veel als alle rivieren in de wereld. De stroom vertegenwoordigt 5 petawatt (5×1015 W) vermogen, wat overeenkomt met ongeveer drie miljoen moderne grote kerncentrales.
Door de Golfstroom is het klimaat op 50 graden noorderbreedte in Europa (de regio van België en Nederland) veel warmer dan op vergelijkbare andere plaatsen op aarde: het steeds nieuw aangevoerde warme zeewater functioneert als buffer. Vooral aan de Atlantische kust van Scandinavië is de invloed ervan van groot belang. De havens van Noorwegen tot en met Moermansk zijn ‘s winters ijsvrij. Grote delen van Europa zijn hierdoor dan ook een stuk warmer dan andere gebieden op vergelijkbare breedtegraad. New York ligt bijvoorbeeld op een lagere geografische breedte dan Rome maar is in de winter duidelijk kouder dan Amsterdam.
Biomimetica of biomimicry is de wetenschap en de kunst van het imiteren van de beste biologische ideeën in de natuur om menselijke toepassingen uit te vinden, te verbeteren en duurzamer te maken.
Biomimetica is gebaseerd op 3,8 miljard jaar evolutie, waarbij de beste ideeën en aanpassingen het overleven. Opvallend daarbij is dat een organisme bijna nooit zijn eigen leefomgeving vervuilt, vergiftigt of onleefbaar maakt.
Er zijn drie grote takken binnen deze discipline: Vorm, materialen en ecosystemen. Nabootsen van vormen kan resulteren in een doeltreffende energie-efficiëntie van de toepassing (mixers, ventilatoren, windturbines). Onderzoek naar materialen en productieprocessen uit de natuur kan veel toxische (neven-)producten uit de huidige industriële processen bannen. Het bestuderen van ecosystemen kan heel onze vervuilende wegwerp-economie omzetten in een gesloten systeem van recyclage. Het woord biomimetica is samengesteld uit de Griekse woorden “βίον”, uitgesproken als “bion”, en mimetica en betekent letterlijk ‘nabootsen van het leven’. Enkele voorbeelden van biomimetica zijn:
The Climate Clock is a collaboration of artists, scientists and activists and is part of the Beautiful Trouble community of projects.
The ClimateClock shows two numbers. The first, in red, is a timer, counting down how long it will take, at current rates of emissions, to burn through our “carbon budget” — the amount of CO2 that can still be released into the atmosphere while limiting global warming to 1.5°C above pre-industrial levels. This is our deadline, the time we have left to take decisive action to keep warming under the 1.5°C threshold. The second number, in green, is tracking the growing % of the world’s energy currently supplied from renewable sources. This is our lifeline. Simply put, we need to get our lifeline to 100% before our deadline reaches 0.
Schoolstaking voor het klimaat, bekend als Spijbelen voor het klimaat of Klimaatmars voor een betere toekomst, is een actie van scholieren, die regeringen oproept om maatregelen tegen de opwarming van de Aarde te nemen.
De acties ontstonden in navolging van de internationale beweging School strikes for climate, School Strikes 4 Climate, Fridays for Future (Duitsland, Oostenrijk, Nederland) en Klimastreik (Zwitserland), die startten in augustus 2018 op initiatief van Greta Thunberg.
Earth Overshoot Day (EOD), previously known as Ecological Debt Day, is the calculated illustrative calendar date on which humanity’s resource consumption for the year exceeds Earth’s capacity to regenerate those resources that year.
Introduction: The term “overshoot” represents the level by which human population overshoots the sustainable amount of resources on Earth. When viewed through an economic perspective, EOD represents the day in which humanity enters environmental deficit spending. EOD is calculated by dividing the world biocapacity (the amount of natural resources generated by Earth that year), by the world ecological footprint (humanity’s consumption of Earth’s natural resources for that year), and multiplying by 365, the number of days in a year. Earth Overshoot Day is calculated by Global Footprint Network and is a campaign supported by dozens of other nonprofit organizations. Information about Global Footprint Network’s calculations and national Ecological Footprints are available online.
Earth Overshoot Day (EOD) is the calculated illustrative calendar date on which humanity’s resource consumption for the year exceeds Earth’s capacity to regenerate those resources that year.
Oplossingen:
Top 10 carbon:
2020:
2021: Changes in carbon emissions and forest biocapacity from January 1st to Earth Overshoot Day 2021 were evaluated. The research team concluded a 6.6% increase in the global Ecological Footprint compared to 2020. As reported by IEA, the global pandemic induced lockdowns caused an initial sharp drop on CO2 emissions in 2020. However, emissions increased again during the second half 2020. At the end of the year, total emissions were reported to be 5.8% lower than 2019 emissions due to the global pandemic. Combined with the most recent data from the Global Carbon Project, we estimate a 6.6% increase in the carbon Footprint for 2021 compared to the year prior. The second notable change was the effect of Amazon deforestation and degradation on global forest biocapacity. The research team estimates a 0.5% decrease in global forest biocapacity.
The downloadable research report documents these drivers. The result of all data extrapolations and analyzed factors concluded that Earth Overshoot Day 2021 lands on July 29.
Klimaatverandering kwam aan het eind van de 20ste eeuw in de belangstelling vanwege een geobserveerde opwarming van de Aarde. In het geologische verleden zijn er perioden geweest waarin het op land meest warm en vochtig was of juist erg heet en droog. Er zijn ook perioden geweest waarin het op aarde veel kouder was dan nu, zoals tijdens de ijstijden. De verschillen in klimaat gedurende de verschillende perioden zijn het grootst in de poolgebieden en rond breedtegraden waar in de moderne tijd een gematigd klimaat heerst. Ze zijn het kleinst rond de evenaar en tussen de keerkringen.
Na 1900 begint de temperatuur snel te stijgen, als gevolg van menselijke CO2-uitstoot. Dit is het proces waarnaar verwezen wordt als de Opwarming van de Aarde. Uit onder andere metingen in 2004 in de Groenlandse ijskap is vastgesteld dat na het laatste ijstijd er verschillende kortere perioden van klimaatverschillen zijn vast te stellen. Dit zijn de zogenaamde Dansgaard-Oeschger-cycli, een verschijnsel dat zich regelmatig herhaalt na ongeveer 1470 tot 1480 jaar. Door sommige onderzoekers wordt de kleine ijstijd geïnterpreteerd als een koude periode van een D-O-cyclus.
Club van Rome – De grenzen aan de groei: De grenzen aan de groei (“The Limits to growth: a global challenge”) is een rapport van de Club van Rome uit 1972 waarin de uitputtingsproblematiek centraal staat. Het rapport werd uitgewerkt door een team van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) onder leiding van Dennis Meadows en Donella Meadows. Het rapport heeft grote invloed gehad op het milieubewustzijn.
The Limits to growth, klik op afbeelding om te lezen
Aan de basis van de studie ligt het gebruik van een systeemdynamischmodel met computersimulatie van interacties tussen bevolking, industriële groei, voedselproductie en limieten in de ecosystemen van de aarde. Het World3-model, mede ontwikkeld door Jay Forrester, verwerkte de actuele groeitrend in de wereldbevolking, industrialisatie, vervuiling, voedselproductie en uitputting van natuurlijke hulpbronnen. Van deze variabelen werd de ontwikkeling van 1900 tot 1970 vastgesteld. Vervolgens werden de trends voortgezet, waarbij verschillende aannames werden gedaan. Ervan uitgaande dat geen belangrijke veranderingen plaatsvinden in de fysieke, economische en sociale relaties (het referentie scenario) waren de uitkomsten schokkend. De natuurlijke hulpbronnen zouden gaandeweg uitgeput raken, en de industriële groei remmen. De bevolkingsomvang en vervuiling zouden nog enige tijd toenemen, maar de verslechtering van de voedselvoorziening en de gezondheidszorg leidden in eerste instantie tot stilstand en later tot terugloop in de bevolkingsgroei.
Overigens waren dergelijke berichten niet nieuw: ook Thomas Malthus (1766 –1834) had iets soortgelijks al gemeld in “Essays on the principles of population” uit 1798 namelijk het Malthusiaans plafond. Critici gaven aan dat het rapport onvoldoende aandacht gaf aan de mogelijkheid om met behulp van nieuwe technologieën het doemscenario af te wenden of zelfs dat het rapport volledig foutief zou zijn. Het rapport bevat ook scenario’s die veel positiever verlopen en die tot een stabiele wereld leiden. Recente vergelijken met de werkelijke ontwikkelingen laten echter zien dat het (ongunstige) referentie-scenario tot nu toe een goede beschrijving van de realiteit geeft.
Onder meer de Nederlandse milieubeschermer Wouter van Dieren schreef mee aan De grenzen aan de groei. Het rapport is in 37 talen vertaald en wereldwijd zijn er zo’n 12 miljoen exemplaren verkocht.
Om een desastreuze klimaatverandering af te wenden, is misschien meer nodig dan een lagere CO2-uitstoot. Er zijn ook andere oplossingen – soms wild en riskant:
Droogte in Nederland sinds 2018: Droogte is een langere periode waarin geen neerslag valt. Bij zonnig weer met wind en hoge temperaturen kan er veel vocht verdampen, waardoor het watertekort snel toeneemt. Ook de voorgeschiedenis is van belang: als het ook eerder in het jaar droog was, loopt het tekort op. Landbouw vult dit op veel plaatsen aan door kunstmatige beregening, wat gevolgen heeft voor de beschikbaarheid van water. Wanneer de vraag naar water het natuurlijke aanbod overstijgt, ontstaat waterschaarste.
Met een in complexiteit groeiende samenleving, kan droogte ook in de moderne tijd ontwrichtend werken. Landbouw met zijn grote waterbehoefte is een belangrijke sector die grote schade ondervindt, zoals jaarlijks gemiddeld tussen de 6 en 8 miljard dollar in de Verenigde Staten, maar bijvoorbeeld in 1988 oplopend naar 40 miljard directe en indirecte kosten. In Europa werd in 2007 geschat dat over de dertig jaar daarvoor de schade op zo’n 100 miljard euro lag, waarbij gemiddeld 11% van de bevolking en 17% van het oppervlak betrokken was. Een uitschieter was 2003 waarin de schade op zo’n 11 miljard euro lag. In China werd de schade van de droogte van 2001 geschat op 6,4 miljard dollar.
Het grote belang van water kan ook leiden tot waterconflicten. Een recent voorbeeld is het conflict in Darfur waarbij droogte er aan bijdroeg dat de Baggara met hun vee steeds zuidelijker trokken op zoek naar water.
Extreme neerslag: Neerslag kan op verschillende manieren extreem zijn. Er kan op een bepaalde locatie veel neerslag vallen in een korte duur, vaak binnen een uur of in enkele uren. Dit kan tot wateroverlast leiden, vaak in het stedelijk gebied. Deze neerslag valt voornamelijk uit buien, die relatief kort duren en deze treden voornamelijk in het zomerhalfjaar op.
Het kan ook veel langer hard regenen over veel grotere gebieden. Vijf tot tien dagen met veel neerslag in het Rijnstroomgebied kan leiden tot hoge afvoeren van de Rijn. De intensiteit van de neerslag is in deze situatie veel lager, maar het regent wel lang en over grote gebieden. Dit soort neerslag valt vaak in de winter.. We spreken dan niet over buien, maar over grootschalige of frontale neerslag. Een front is een zone waar warme en koude lucht elkaar tegenkomt. De koude lucht is zwaar en dwingt de warme lucht op te stijgen. Maar, als de warme lucht opstijgt, koelt hij af, en dan ontstaat er een brede wolkenband. Het begint te regenen – en het blijft regenen – tot het front voorbij getrokken is.
Niet in alle gevallen is het verschil in buiige neerslag en grootschalige neerslag zo duidelijk. Er treden ook vaak mengvormen op waarbij het hard regent over relatief grote gebieden, en waarbij buien zich aaneen lijken te rijgen tot meer grootschalige gebieden.
Er zijn twee manieren om naar neerslagextremen te kijken. Vaak wordt extreme neerslag gedefinieerd door het optreden van een neerslagsom of intensiteit boven een bepaalde drempelwaarde. In Nederland noemen we neerslag boven de 25 millimeter in één uur een hoosbui, en meer dan 50 millimeter in één dag ‘een dag met zware neerslag’. Waardes boven de 50 millimeter in een uur en 100 millimeter in een dag (twee keer zoveel als de laagste hoeveelheid voor een ‘hoosbui’ en ‘een dag met zware neerslag’) zijn voor het Nederlandse klimaat redelijk extreem; ze komen ongeveer één keer per eeuw of iets vaker voor wanneer men zich op een ‘vaste locatie’ in Nederland bevindt.
De andere manier om neerslagextremen te definiëren is dan ook door te kijken naar de neerslaghoeveelheid bij een kleine kans van optreden. Deze kans wordt vaak uitgedrukt in een herhalingstijd, een kans van 1 procent per jaar komt overeen met een herhalingstijd van 100 jaar. We zijn over het algemeen niet goed voorbereid op gebeurtenissen die zeer zeldzaam zijn (een lange herhalingstijd hebben) en noemen die daarom extreem. Terwijl de kans zeer klein is dat er op een willekeurige locatie in Nederland meer dan 50 millimeter in een uur valt – en dus als extreem wordt geclassificeerd – valt deze hoeveelheid in de tropen veel vaker en wordt daar als minder extreem ervaren.
Vaak worden extreme neerslag dan ook gegeven in de hoeveelheden die horen bij bepaalde herhalingstijden. Meestal worden ze afgeleid van neerslagstations en is de hoeveelheid bij een herhalingstijd representatief voor deze stations. De herhalingstijden horen dan dus bij een locatie. Een waarnemer die zich op een willekeurige plaats in Nederlands bevindt, meet gemiddeld eens per zoveel jaar (gegeven door de herhalingstijd) deze hoeveelheid.
Dat deze kans op extreme neerslag klein is, betekent niet dat dit soort gebeurtennissen in Nederland heel weinig optreden. Een extreem in de uurneerslag die een lokale kans van eens per 100 jaar heeft – ongeveer 58 millimeter in de huidige statistieken – treedt (vrijwel) ieder jaar wel ergens in Nederland op. Omdat zo’n bui klein is en Nederland groot en er dus veel plekken zijn waar zo’n bui kan vallen. Ogenschijnlijk zeldzame extremen komen daarom veel vaker binnen Nederland voor dan de statistieken lijken te suggereren. Een extreme bui valt met relatief grote kans ergens in Nederland, maar de kans dat deze precies in jouw straat valt is zeer klein.
In 2019 is een overkoepelend rapport gepubliceerd over extreme neerslagstatistiek. Hierin zijn verschillende onderzoeken van KNMI en HKV in opdracht van STOWA op het gebied van extreme neerslagstatistiek gebundeld. Het overkoepelende rapport bevat onder meer een basisstatistiek. De basisstatistiek geeft inzicht in de hoeveelheid neerslag (in mm) die verwacht mag worden bij een bepaalde duur (in dit geval: van 10 minuten tot 10 dagen) bij een bepaalde herhalingstijd (bijvoorbeeld eens in de 10 of 100 jaar) voor een bepaalde locatie (puntstatistiek). De statistiek geeft een betrouwbaar beeld van extreme neerslaggebeurtenissen anno nu (het referentiejaar is 2014). De effecten van al opgetreden klimaatverandering zijn erin meegenomen.
De verschillen tussen de basisstatistiek en de afzonderlijke statistieken voor korte en lange duren, uit 2015 en 2018, zijn relatief gering. Maar de verschillen tussen de statistiek uit 2019 met de statistieken die daarvoor werden gebruikt (dit zijn de statistieken uit 2004 en 2007), zijn wel groot: ze vallen hoger uit, in het bijzonder voor extreme hoeveelheden die minder vaak dan eens per 100 jaar voorkomen. Een gedeelte van deze veranderingen is veroorzaakt door klimaatverandering. Echter, een groot gedeelte van de veranderingen komt doordat er langere meetreeksen van meerdere locaties zijn meegenomen dan in de statistieken uit 2004 en 2007, waardoor de statistiek van de meest extreme gebeurtenissen beter in kaart gebracht kon worden. Deze extremen blijken zwaarder te zijn dan eerder gedacht.
Nederland warmt 3 keer zo snel op als de wereldgemiddelde temperatuur:
Since the film’s release, An Inconvenient Truth has been credited for raising international public awareness of global warming and reenergizing the environmental movement. The documentary has also been included in science curricula in schools around the world, which has spurred some controversy.
Klimaat (verandering) : Klimaat en Voedselproductie https://t.co/BhfwKFtNxS | Climatarian, flexitarian, vegetarian, vegan: Which diet is best for the planet? (And what do they mean?) https://t.co/oKHDMO7ldq
Klimaatrechtvaardigheid: Klimaatrechtvaardigheid is een term die gebruikt wordt om de opwarming van de Aarde te duiden als een ethische, politieke en juridische kwestie, eerder dan als een louter probleem van het fysieke milieu. Daartoe worden de gevolgen van de klimaatverandering getoetst aan principes van ecologische en sociale rechtvaardigheid, zoals gelijkheid, mensenrechten, rechten van gemeenschappen en minderheden, en de historische verantwoordelijkheid voor klimaatverandering.
Een van de opvallende vaststellingen inzake klimaatrechtvaardigheid is het feit dat diegenen die het minst verantwoordelijk zijn voor de klimaatverandering, er vaak de zwaarste gevolgen van dragen, en dat geldt zowel voor personen als voor landen. De klimaatverandering treft mensen dus in zeer ongelijke mate, en dat hangt samen met geslacht, ras, politieke en sociale status, en woonplaats.
De term klimaatrechtvaardigheid wordt ook gebruikt voor rechtszaken op milieugebied. Personen of organisaties richten zich tot de rechtbank om milieumaatregelen op te leggen.
Een vaak terugkerend thema in de discussie rond klimaatrechtvaardigheid is de vraag in hoeverre het kapitalisme zelf de hoofdoorzaak van de onrechtvaardigheden is. De vraag leidt tot fundamentele meningsverschillen tussen enerzijds liberale en conservatieve milieugroepen, en anderzijds linkse en radicale organisaties. De eerste groep is geneigd de problemen toe te schrijven aan excessen van de neoliberale economie, die met de nodige regulering en investeringen kunnen opgevangen worden. De tweede groep ziet een groen kapitalisme als een schijnoplossing, en pleit voor radicale systeemverandering.
NEW—77% of health professionals believe #climatechange will cause a moderate to great deal of harm to their patients—yet several barriers impede their involvement in climate education & advocacy.
COP26 was gepland van 9 tot 19 november 2020, maar is in verband met de dan heersende coronapandemie 12 maanden uitgesteld naar 31 oktober tot en met 12 November 2021. De conferentie is de 26ste Conference of the Parties (COP26) in het kader van het Klimaatverdrag (UNFCCC), de 16e sessie van de partners in het Kyoto-protocol (CMP 16), en de 3e sessie van de partners in uitvoering van het Akkoord van Parijs (CMA 3).
COP26 volgt op de Klimaatconferentie Chili 2019 – COP25. Het Verenigd Koninkrijk won de toewijzing van de conferentie, na een samenwerkingsakkoord met Italië. COP26 zal doorgaan in Glasgow, terwijl Italië gastland wordt van de voorbereidende vergaderingen, en een jeugdevenement. Glasgow, en Schotland in het algemeen, gaan er prat op een voortrekkersrol te spelen in het klimaatgebeuren. Tijdens COP26, waarop men 30.000 deelnemers verwacht, zal de eerste herziening van het Akkoord van Parijs centraal staan.
WMO: kans op 1,5 graad temperatuurstijging binnen 5 jaren nu 50%: De kans dat de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur ten opzichte van het pre-industriële tijdperk tussen nu en 2026 uitkomt boven de 1,5 °C – de als kritisch beschouwde bovengrens voor de opwarming van de Aarde die is afgesproken in het Akkoord van Parijs van 2015 – is toegenomen tot bijna 50%. Dit concludeert de WMO in een nieuwe analyse. De kans dat er een van de komende jaren een nieuw warmterecord wordt gebroken, wordt daarnaast geschat op 93%. Het warmste jaar ooit gemeten tot nu toe was 2016.
Dezelfde onderzoekers schatten in 2021 de kans op het doorbreken van de 1,5 °C temperatuurstijging binnen dit tijdsbestek nog op 40%. Dat deze kans zo snel groter wordt, is vooral te wijten aan het feit dat de uitstoot van broeikasgassen (met name van CO²) nog steeds niet structureel minder wordt.
Wetenschappers plaatsen hierbij de kanttekening dat de overschrijding niet permanent hoeft te zijn, gezien de natuurlijke variaties die de temperatuur ook kent. Desondanks kan de steeds snellere wereldwijde opwarming, zelfs als die niet veel verder uit de hand zou lopen dan nu, zeer ontwrichtende gevolgen voor het klimaat met zich meebrengen die voor de komende eeuwen en/of millennia onomkeerbaar zullen zijn.
In het najaar van 2022 zal er een nieuwe wereldwijde klimaattop gehouden worden, waarbij het verder terugdringen van de CO²-uitstoot een centraal thema zal zijn. Verder dringt de WHO vooral aan op het zo snel mogelijk stoppen met het gebruik van fossiele brandstoffen.
Stikstof(crisis): De stikstofcrisis is een crisis die in 2019 in Nederland ontstond toen de vergunningsaanvragen van naar schatting 18.000 bouw- en infrastructuurprojecten werden stilgelegd.
De crisis ontstond toen op 29 mei 2019 de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State twee uitspraken deed over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Het PAS mocht volgens deze uitspraak niet gebruikt worden voor het verlenen van vergunningen die extra neerslag van stikstofverbindingen in de Natura 2000-gebieden veroorzaakten. De Raad stelde vast dat in de vergunningprocedure een ecologische toets ontbrak, die nodig zou zijn om het effect van de beloofde maatregelen, ter compensatie van de stikstofuitstoot, te bevestigen. Een direct gevolg was dat bouwvergunningen niet langer verleend konden worden op basis van het PAS. Volgens de bouwbedrijven zouden 27.000 banen kunnen vervallen.
De milieuachtergrond van de crisis is de stikstofproblematiek, die in de hele wereld speelt, maar in sterke mate ook in Nederland. In Nederland wordt de bodem belast door een zeer hoge toediening van stikstofverbindingen, met name NH3 (dierlijke mest) en stikstofoxiden (NOx) (verbrandingsmotoren). Menselijke activiteiten waarbij stikstofverbindingen in grote hoeveelheden vrijkomen, leiden tot problemen met de ecosystemen op land, in water en in de zee. De crisis was zeker niet nieuw, in 1991 werden al de eerste Europese normen vastgesteld. Europa stelt geen eisen aan de stikstofdepositie, dat doen lidstaten zelf. Deze zijn verplicht te voldoen aan de Habitat-richtlijn, die stelt dat in de Natura2000 gebieden gestreefd moet worden naar een ‘gunstige staat van instandhouding’. Om de situatie op de lange termijn (tot 2030) op te lossen werd een commissie ingesteld onder leiding van Johan Remkes: deze bracht op 8 juni 2020 haar eindrapport uit, “Niet alles kan overal”. Hierin adviseerde zij de landelijke uitstoot van NH3 en NOx met 50% te reduceren ten opzichte van 2019. De NH3 doelstelling zal in bepaalde gebieden, dicht bij natuurterreinen hoger moeten zijn.
De minister van Natuur en Stikstof Christianne van der Wal (VVD) presenteerde in juni 2022 de doelstellingen per regio, waarbij in detail is uitgewerkt met hoeveel procent de stikstofuitstoot omlaag zou moeten. De doelstellingen in het zogeheten “Nationaal Plan Landelijk Gebied” zijn met name gericht op de veehouderij. In bufferzones van 1 kilometer rondom Natura2000 gebieden zou de stikstofuitstoot met 70% gereduceerd moeten worden. In gebieden met kleigrond zijn kleinere reducties nodig, maar ook daar gaat het om rond de 12%. Op basis van deze doelstellingen moeten de provincies in een jaar bedenken welke maatregelen ze willen nemen. Na de publicatie van de doelstellingen kwamen er direct protesten vanuit de boeren. Niet alleen op openbare plaatsen, maar ook bij het woonhuis van minister Van der Wal.
…bij A3veen.nl, sinds 29-04-2003 de webplek van Aaldrik Adrie (A3) van der Veen, met een weBLOG vol weetjes die het delen waard zijn, onder het motto: “Zie de wereld door de ogen van A3…”